Verschillende Zeevissoorten Pagina 2
|
Zeebaars - ( Dicentrarchus Labrax )

|
Beschrijving :
Deze slanke, zilveren vis uit de grote familie der zeebaarzen kan 1 meter lang worden.
Maar meestal komen we ze tegen in afmetingen tussen 40 en 80 cm.
In tegenstelling tot veel andere zeebaarssoorten zijn de twee rugvinnen duidelijk gescheiden,
de voorste heeft 8 of 9 duidelijke stekels - zoals een baarsachtige betaamt.
De staartvin is licht gevorkt.
De kleur is weliswaar op het eerste gezicht zilverachtig, maar kijk je wat beter,
dan zie je dat de rug grijzig is met een groene waas,
de zijkanten echt zilverkleurig en de buik wit.
Jonge dieren hebben soms zwarte spikkels.
Voedsel :
Vissen, inktvissen, kreeftachtigen, wormen. De zeebaars is een agressieve, snelle roofvis.
Haring en andere scholenvissen maken een belangrijk deel van zijn voedsel uit. Zelf wordt hij overigens door mensen ook zeer gewaardeerd - vooral in zuidelijk Europa en het is dan ook een waardevolle consumptievis.
Leefgebied :
Van vlak bij de wateroppervlakte tot ca. 100 m diepte. Boven allerlei soorten bodems.
De jonge dieren leven meestal in kleine scholen,
dicht bij de kust en zelfs tot ver in riviermondingen.
Deze vissen zijn erg plaatstrouw ze blijven soms maanden achter elkaar in een zelfde klein gebied
ze hebben daar dan ook voedselterritoria. Als je dat eenmaal weet,
is het als duiker niet moeilijk om deze dieren te zien te krijgen. Al staan ze bekend als schuw.
Verspreiding :
Van Zuid-Noorwegen via de Britse Eilanden tot West-Afrika,
in de hele Middellandse Zee en de Zwarte Zee.
De noordrand van hun verspreidingsgebied ligt ongeveer in de Noordzee.
Daarom is deze soort in Nederland niet algemeen,
hoewel hij in sommige jaren best veel gezien wordt in Zeeland.
|
|
Pollak - ( Pollachius Pollachius )

|
Beschrijving :
Deze bij sportvissers populaire vis wordt maximaal zo'n 120 cm lang en is dan minstens 15 jaar oud.
Meestal echter zijn de exemplaren die we tegenkomen niet langer dan 80 cm.
Enkele kenmerken zijn drie rugvinnen en twee aarsvinnen de staartvin is driehoekig,
maar met een kleine aanzet tot gevorktheid.
De onderkaak is flink wat langer dan de bovenkaak. Hij heeft geen kindraad.
Rugzijde donker bruingroen, zijkanten lichter olijfgroen en buikzijde witachtig.
Donkere zijlijn, die ter hoogte van de voorste rugvin een vrij scherpe bocht naar boven maakt,
dit is een belangrijk kenmerk, omdat bij andere kabeljauwachtigen deze bocht veel minder scherp is.
Voedsel :
Kleine vissen, zoals jonge haring, spiering, sprot en garnalen.
Leefgebied :
Jonge vissen leven dicht bij de kust tussen rotsen, wieren en zeegras.
Als ze ouder worden zoeken ze dieper water op.
Toch worden ze tamelijk vaak door duikers dicht bij de kust gezien.
Verspreiding :
Van Noord-Noorwegen,
het Kattegat, de Britse Eilanden tot West-Afrika en de westelijke Middellandse Zee.
In het oostelijk deel van de Noordzee komt hij relatief weinig voor.
|
|
Steenbolk - ( Trisopterus Lucus )

|
Beschrijving :
Lengte 15 tot 30 cm, maximale geregistreerde lengte 47 cm.
Deze kabeljauwachtige heeft een relatief hoge rug met 3 rugvinnen,
en onderscheidt zich van zijn familieleden door de wat forsere bouw.
De kindraad is lang en stevig.
Buikvinnen enigszins gereduceerd tot een paar stevige,
maar wel lange vinstralen,
waar het dier eventueel op kan steunen als hij vlak boven de bodem op kleine kreeftachtigen loert.
De eerste rugvin is aanzienlijk langer en puntiger dan bij andere kabeljauwachtigen.
De ogen zijn relatief groot. Vooral als een steenbolk in een net omhooggehaald wordt,
kunnen de ogen als gevolg van de snelle drukvermindering,
tussen de diepte waarop hij zwom en de oppervlakte nogal uitpuilen.
Daarop slaat ook 1 van de volksnamen, bolkoog.
Voedsel :
Kleine kreeftachtigen (met name garnalen, die vormen ca. 70% van het menu), schelpdieren,
borstelwormen, kleine vissen en inktvissen.
Leefgebied :
Steenbolken zijn bodemvissen. Jonge vissen zitten in grote scholen vlak bij de kust.
Oudere dieren vaak tussen 10 en 300 m diepte,
vooral boven rotsachtige bodems met zandgebieden daartussen. Ze zijn nogal plaatsgebonden.
Het is een van de meest voorkomende vissen rond wrakken in de Noordzee. Ook in zeearmen,
zoals de Oosterschelde.
Verspreiding :
Van Midden-Noorwegen tot en met de westelijke helft van de Middellandse Zee.
Maar ze komen het meest voor in de Noordzee en rond de Britse Eilanden.
|
|
Diklipharder - ( Chelon Labrosus )

|
Beschrijving :
Harders zijn eigenlijk vissen van de tropische en subtropische zeeen.
Enkele soorten echter komen in de gematigde streken voor. De diklipharder is daar een van.
Hij wordt ca. 75 cm lang en weegt dan zo’n 5 kg. Hij heeft de typische kleine bek van de harders.
De bovenlip is verdikt en vertoont een aantal karakteristieke wratachtige bobbeltjes.
De schubben zijn relatief groot, en er is geen zijlijn zichtbaar.
Typerend voor de groep zijn ook de twee rugvinnen, met name de eerste,
die vier harde vinstralen heeft opgezet,
heeft deze vin wel wat weg van een hele korte versie van een baarzenvin.
De tweede rugvin en de aarsvin zijn hoekig en de staartvin is gevorkt.
Voedsel :
Plankton, algen en kleine bodemdieren.
Kennelijk is het menu van de harders vooral afgestemd op vezelrijk plantaardig materiaal.
Hij heeft daarom het lange spijsverteringskanaal van de vegetariër, en bovendien een gespierde kauwmaag.
Kleur :
Bovenzijde zilverachtig blauwgroen, onderzijde lichter tot bijna wit.
Volwassen dieren hebben donkere lengtestrepen.
Leefgebied :
Ondiep water boven zachte bodems, liefst met veel wier- of zeegrasbegroeiing.
Houdt van rustig water, en zit vaak in riviermondingen en lagunes.
Kan goed tegen vervuild water. Actieve,
typisch schoolvormende vissen.
Verspreiding :
Middellandse Zee, Zwarte Zee en Atlantische kusten van Noord-Afrika tot halverwege de Britse Eilanden,
en het Nederlandse Deltagebied. Soms tot IJsland en Scandinavië,
waar ze in kleine groepjes heen trekken. 's Winters zit deze vis alleen maar ten zuiden van de Noordzee,
omdat hij niet tegen een lage watertemperatuur kan. In Nederland vrij algemeen.
Vroeger dacht men,
dat hij hier zeldzaam was en dat de gewone of dunlipharder hier veel meer voorkwam.
Maar volgens de huidige inzichten is het precies andersom.
De dunlipharder heeft een dunne bovenlip en geen papillen.
|
|
Tarbot - ( Scophthalmus Maximus )

|
Beschrijving :
De tarbot is een van de grootste platvissoorten. Hij wordt ongeveer 1 m lang,
maar 40 tot 50 cm lange exemplaren komen meer voor. De ogen zitten op de oorspronkelijke linkerkant.
Hij heeft geen schubben, maar wel een grote hoeveelheid wratachtige knobbeltjes,
verspreid over de bovenkant van het lichaam. Op de kop zijn ze wat kleiner.
De lichaamsvorm is net een platte ronde schijf, maar ook is hij relatief dik. De kleur is variabel;
hij kan zich wat dat betreft enigszins aanpassen aan de ondergrond.
Meestal grijsbruin met een olijfgroene waas erover, donkerbruin of zandkleurig met vele donkere vlekken en stippen. De onderkant (oorspronkelijk de rechterzijde) is vuilwit.
Voedsel :
Deze roofvis eet voornamelijk andere vissen. Daarnaast versmaadt hij ook garnalen,
aasgarnalen en schelpdieren niet, vooral als hij nog jong is.
Vanaf ongeveer 10 cm lengte eet de tarbot vooral grondels, (zand)spieringen,
kabeljauwachtigen en platvissen.
De tarbot is zelf een belangrijke consumptievis voor mensen.
Leefgebied :
Op zand-, slib-, kiezel- en schelpengruisbodems.
Van net onder het oppervlakte tot minstens 100 m diepte.
We treffen de tarbot vooral in ondiep water aan.Graaft zich in.
Kan ook goed tegen lagezoutgehaltes en wordt dus ook in brak water gezien.
Verspreiding :
Van Midden-Noorwegen,
de westelijke Oostzee en rond de Britse Eilanden tot noordelijk Marokko,
en in de Middellandse Zee, ook in de Zwarte Zee.
|
|
Griet - ( Scophthalmus Rhombus )

|
Beschrijving :
Alhoewel nauw verwant aan de tarbot, ziet de griet er toch weer heel anders uit.
Hij is platter en ovaler, heeft schubben (veel, kleine, maar aan de bovenkant wat grotere)
en geen wratten.
De voorste stralen van de rugvin zijn vertakt en zitten wat apart de indruk van een soort borsteltje wordt hierdoor gewekt.
Kan 75 cm worden, mogelijk zelfs 1 meter, maar niet in de gematigde zone,
daar is 60 cm al een hele lengte. De kleur is variabel, de bovenkant is meestal zandkleurig,
met een groot aantal kleine stippen en vlekjes in diverse tinten van donkerbruin tot licht olijfgroen.
Ook kan de basiskleur donkerder zijn. De vinnen zijn iets lichter,
de staart is wat gevlekt en de onderzijde is wit met soms wat donkere vlekken.
Voedsel :
De griet eet vooral bodemvissen en ook grotere kreeftachtigen.
Zelf worden grieten niet veel door mensen gegeten.
Leefgebied :
Op zand, slib en grindbodems. Van 1 tot 70 m diepte. Graaft zich in. De schutkleur van deze vis is buitengewoon. Hij komt ook wel in brak water voor.
Van Midden-Noorwegen, de westelijke Oostzee,
rond de Britse Eilanden tot noordelijk Marokko, in de Middellandse Zeeen in de Zwarte Zee.
|
|
Wijting - ( Merlangius Merlangus )

|
Beschrijving :
Behalve op de ondergelopen slikken van de Waddenzee,
kan overal langs onze kust en in diepere delen van de Ooster- en Westerschelde wijting worden gevangen. Bekende stekken voor deze vissoort zijn Cadzand,
Dishoek, Maasvlakte, Calandkanaal, Nieuwe Waterweg,
alle Noordzeestranden en hun golfbrekers,
de havenhoofden van Scheveningen en IJmuiden en de zeedijk bij Den Helder.
Vanaf de kust is de beste vangperiode oktober tot en met december,
terwijl april ook nog wel eens wat wijting laat zien.
Bootvissers op de Noordzee kunnen hem daarentegen het gehele jaar vangen,
al zijn ook voor hen het voor- en najaar de beste perioden voor grove wijting.
In diep water kan men de wijting zowel in het donker als overdag vangen.
Maar is de zee ondiep en helder,
dan vangt men hem voornamelijk in het duister.
Zowel tijdens stroming als in stilstaand water kan de wijting actief zijn.
Alleen aan een ruwe zee met een hoge branding en erg troebel water heeft deze vissoort in tegenstelling tot de gul een hekel.
Net als de kabeljauw komt de wijting pas in het koude jaargetijde onder werpbereik.
Meestal worden de eerste knappe wijtingen in oktober gevangen,
en loopt het seizoen in april weer af.
Hij meldt zich elk najaar enkele weken eerder,
in ons kouder wordende kustwater dan zijn grote oom,
de kabeljauw of gul.
De wijtingen die onze kust bezoeken zijn voornamelijk op jacht naar garnalen.
Een periode met ijzige oostenwind en strenge vorst heeft als gevolg,
dat de garnalen klappertandend het ondiepe water ontvluchten, helaas gevolgd door de wijting.
Leefgebied :
De wijting komt algemeen voor in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan,
de Noord- en de Oostzee.
Ook in de Wester- en Oosterschelde is het een veel voorkomende soort.
|
|
Puitaal - ( Zoarces Viviparus )

|
Beschrijving :
Palingachtige vis van maximaal 50 cm lengte,
maar de meeste die we tegenkomen zijn zo rond de 30 cm.
Hij heeft een forse kop en een bek met vlezige lippen.
Een beetje slijmvisachtig uiterlijk,maar langer.
Een bijnaam is: levendbarende slijmvis.
Belangrijk kenmerk is de enkele doorlopende rugvin,
die een geheel vormt met de staart en de aarsvin de laatste is ruim half zo lang als de rugvin.
Dit lijkt een ontwikkeling in vin-samensmelting, lopend van de kabeljauwen,
via de meunen naar deze groep plus de baardmannetjes en de parelvissen die we hier overigens verder niet behandelen.
Bij de puitaal zie je vlak voor de staart een duidelijke inkeping in de rugvin.
De huid is nogal slijmerig en zit vol met hele kleine schubben.
Kleur :
De bovenkant is geelachtig groen of bruin, de onderkant wat meer grijsbruin.
Een patroon van donkere vlekken en soms ook gele strepen en vlekjeszorgt voor goede camouflage.
Vaak is het totaalpatroon niet zo regelmatig,
maar soms zien we ruitvormige omtrekken op de flanken.
Vaak ook heeft het dier een rijtje vlekken op de rug, die doorlopen op de rugvin.
Dat is het patroon dat de meeste verwarring met de botervis oproept.
Op de onderste helft van de zijden kan ook een dwarsbandachtig patroon te zien zijn.
De borstvinnen hebben geelachtige randen in de paaitijd zijn die van het mannetje soms felrood.
Er zijn diverse lokale rassen te onderscheiden,
maar dat is binnen het bestek van deze beschrijving niet van belang.
Voedsel :
Kleine kreeftachtigen, wormen, weekdieren en vissen.
Zelf wordt hij gegeten door onder meer de mens,
hoewel, net als bij de geepde groene graat voor sommigen voor een zekere afkeer zorgt.
Onterecht, want de stof die de groene kleur veroorzaakt is absoluut niet gevaarlijk.
Leefgebied :
Dit is een echte kustvis: hij komt voor van laag in het intergetijdengebied tot ca. 10 m,
maar een enkele keer kun je hem tot ca. 40 m diepte vinden.
Veelal tussen wieren, maar ook op zand- of slib, waarin ze zich kunnen ingraven.
|
|
Fint - ( Alosa Fallax )

|
Beschrijving :
De fint is familie van de haring en kan wel zestig cm lang kan worden.
Vanwege de stippen op zijn rug wordt hij ook wel de 'gestipte reuzenharing' genoemd.
Zijn andere bijnaam is de 'meivis',
omdat hij in het voorjaar in de getijdezone van de grote rivieren wordt gevangen.
De fint leeft in zee, maar paait in rivieren.
Als de watertemperatuur boven de 11 graden celsius komt,
trekken ze de rivieren op.
Daar zetten ze hun eieren af in ondieptes met grind en zand.
De jonge dieren zwemmen de rivier af en komen vooral in open zee voor. De fint leeft vooral van plankton en insecten.
Vroeger was de fint een algemeen voorkomende vis,
maar tegenwoordig komt hij steeds minder voor.
Daarom staat hij op de lijst van te beschermen soorten van de Europese Habitatrichtlijn.
Om deze vis ook in praktijk te beschermen is de Voordelta
(het zeegebied ten westen van Zeeland) aangewezen als beschermd gebied.
Directie Noordzee is de beheerder van de Noordzee,
en past het beheer van de Voordelta zo aan dat er daadwerkelijk rekening wordt gehouden met de bescherming van de fint.
Hierdoor kan de populatie van de fint in de Noordzee weer toenemen.
|
|
| |
|
Weet u nog zeeaassoorten die hier nog niet vermeld staan, stuur ze dan naar zeevissers @ gmail.com
|
|
|
|