Verschillende Zeevissoorten
|
Schol - ( Pleuronectus Platessa )

|
Beschrijving :
Schollen kunnen behoorlijk groot worden,
wel tot 1 meter lang al zul je die in nederland niet zo vaak tegen komen.
Tussen de 20 en 40 cm is een meer normale maat.
Vooral bekend vanwege de duidelijke oranje vlekken op de bovenzijde.
Minder bekend, maar zeker zo'n goed kenmerk,
is het feit dat de schol op zijn kop een rijtje van 4 tot 7 benige knobbeltjes heeft,
dat van het oog naar de zijlijn loopt.
De kleur is verder donkergroen tot donkerbruin aan de bovenkant en wit aan de onderkant.
De schol kan zijn kleur enigszins aanpassen aan de ondergrond,
door via een hormoonafscheiding de vorm van zijn pigmentcellen te veranderen.
De staart is afgerond.
Voedsel :
Vooral schelpdieren - die hij met speciale tanden kan kraken -en wormen,
hoofdzakelijk de zachte delen die een worm af en toe uit zijn woonbuis naar buiten steekt.
Daar azen schollen op.
Leefgebied :
Op zand- en slibbodems, waarin hij zich goed kan ingraven.
Zeer algemeen; wordt vaak gezien door duikers. Jongen vooral in ondiep water.
Kunnen bij laag water droogvallen en zo een getijcyclus overleven.
De schol kan ook goed tegen lage zoutgehaltes en is dan ook wel in zoet water aan te treffen,
alhoewel hij daarin niet zover gaat als de bot.
Verspreiding :
Noordoost Atlantische Oceaan, Noord- en Oostzee. Langs de Nederlandse kust algemeen.
|
|
Bot - ( Platichtys Flesus )

|
Beschrijving :
Merkwaardig genoeg valt de bot onder de familie van de schollen (ogen op de rechterzijde),
terwijl bijvoorbeeld de tarbot onder de botten (ogen op de linkerzijde) valt.
De bot kan ongeveer 60 cm lang worden,
maar meestal zien we ze onder water niet groter dan ca. 30 cm.
Het is een typische platvis, met een huid die ruw aanvoelt doordat hij vol zit met kleine bobbeltjes,
vooral langs de vinnen en de zijlijn: heel anders dus dan bij de schar.
Meestal liggen de ogen op de rechterkant, maar er zijn ook linksogige exemplaren bekend.
De kleur is meestal vrij donker bruin of groenachtig met lichte of donkere vlekken,
die soms ook oranje zijn en daardoor weer verwarring met de schol mogelijk maken.
De vlekken van de bot zijn wel vagerdan die van de schol.
Het oppervlak van de bot maakt trouwens een wat mattere indruk dan bij diverse andere platvissen het geval is. De onderkant is wit. De bot heeft ook niet de benige knobbeltjes op de kop die zo karakteristiek zijn voor de schol. Wel een duidelijk kenmerk is de staartvin,
die recht afgesneden is en daardoor zijpunten heeft. De staartvin van de schol is afgerond.
Voedsel :
Wormen, garnalen, slakken en visjes zoals grondels jonge vissen eten vooral kleine kreeftachtigen.
Schelpen kraken, zoals de schol dat kan,
is er voor de bot niet bij daar zijn zijn tanden niet geschikt voor.
Het is een nachtjager. Overdag ligt hij ingegraven in het zand of slib en 's nachts trekt hij naar het ondiepere water om te jagen.
Leefgebied :
Van het intergetijdengebied tot 30 meter, maar hij is ook tot meer dan 50 m diepte gevonden,
op zand- of slibbodems.
Kan erg goed tegen lage zoutgehaltes en tegen wisselingen in zoutgehalte.
Dat maakt de bot tot een uitstekende estuariumbewoner.
Hij dringt zelfs behoorlijk ver door in het zoete water zelfs tot in Zwitserland is hij gesignaleerd!
Verspreiding :
Van de Witte Zee, het grootste deel van de Oostzee,
de Noordzee en de Britse Eilanden tot Noordwest-Afrika,
in de gehele Middellandse Zee en de Zwarte Zee.
|
|
Schar - ( Limanda Limanda )

|
Beschrijving :
Lengte meestal 20-30 cm, kan echter uitgroeien tot ruim 40 cm.
Kenmerkend en anders dan bij andere platvissen zijn de zijlijn,
die ter hoogte van de borstvinnen een scherpe boog maakt en de ruw aanvoelende rug.
Dat laatste komt, doordat de randen van de schubben kleine tandjes hebben.
De rechterzijde is de bovenkant; deze is lichtbruin of grijsbruin tot donkerbruin,
met kleine donkere vlekjes verspreid over het hele oppervlak.
Soms juist lichte vlekjes en grotere donkere plekken. Ook, en dat is verwarrend,
kunnen de vlekjes oranje zijn,
waardoor op het eerste gezicht verwarring met de schol mogelijk is.
De schar heeft een tamelijk kleine kop.
Voedsel :
Vooral kreeftachtigen, maar ook wormen, slangsterren, slakken en kleine vissen.
De schar is een oogjager.
Hij kan een prooi besluipen en met het voorste deel van zijn lichaam,
opgericht een hele tijd roerloos in het water staan.
Zodra de prooi zich bloot geeft (bijvoorbeeld een kokerbewoner die uit zijn koker komt)
schiet de schar bliksemsnel toe.
Leefgebied :
Vooral op zandgrond, waarin hij zich goed kan ingraven.
De volwassen dieren leven meestal tussen 20 en 70 meter,
maar in de winter kunnen ze naar 150 m diepte gaan.
De jonge scharren zitten vaak tussen 2 en 25 m.
Hoewel de schar één van de algemeenste vissoorten van de Noordzee is,
zie je hem als duiker toch niet zoveel,
waardoor het helemaal lastig is hem op de foto te krijgen.
Verspreiding :
Van Noord-Skandinavie, de Witte Zee en IJsland, de westelijke Oostzee,
de Noordzee en de Britse Eilanden tot Baskenland.
|
|
Tong - ( Solea Solea )

|
Beschrijving :
De soort waar een hele familie zijn naam aan dankt heeft inderdaad het typische tongen-uiterlijk,
langgerekt ovaal lichaam, afgeronde kop met een iets voor de bek uitstekende snuit,
kleine ogen dicht bij elkaar, op de rechterzijde. Karakteristieke, gebogen bek.
Zwarte vlek op het uiteinde van de rechter borstvin.
Kan ca. 70 cm lang worden, weegt dan ca. 3,5 kg en is meer dan 20 jaar oud.
Meestal echter niet groter dan 30 tot 50 cm.
Voedsel :
Kleine schelpdieren, kreeftachtigen, borstelwormen, slangsterren en kleine vissen.
Tongen jagen 's nachts, terwijl ze overdag stil in het zand ingegraven liggen.
Zelf is de tong een zeer gewaardeerde consumptievis en er wordt dan ook intensief op gevist.
Kleur :
Grijsbruin tot donkerbruin, met onregelmatige vlekjes en stippen. Onderzijde vuilwit.
Leefgebied :
Op zand- en slibbodems,
waar ze zich kunnen ingraven en waar hun kleur hen maximale bescherming kan bieden.
Jonge dieren vaak in riviermondingen en andere minder zoute gebieden.
Vanaf zeer ondiep water tot bijna 200 m diepte.
's Winters zitten ze op 70 -130 m, 's zomers ondieper.
Verspreiding :
Van Zuid-Noorwegen, het Kattegat,
de Noordzee en de Britse Eilanden langs alle West-Europese kusten tot de West-Afrikaanse kust (Senegal) in de hele Middellandse zee en het westelijkste deel van de Zwarte Zee.
|
|
Kabeljauw - ( Gadus Morhua )

|
Beschrijving :
Deze vertegenwoordiger van de groep der kabeljauwachtigen kan tot 1,5 m lang worden.
Exemplaren van die lengte zijn zo'n 25 jaar oud.
Er zijn zelfs nog grotere exemplaren gemeld.
De vorm is karakteristiek voor de groep langwerpig,
met drie rugvinnen, twee aars- of anaalvinnen,
een forse baarddraad midden onder de kin (misschien beter kindraad te noemen)
en een duidelijke zijlijn die van de staart recht naar voren loopt tot onder de middelste rugvin,
van daaraf een boog naar boven maakt en eindigt bij het kieuwdeksel.
Voedsel :
Jonge kabeljauw eet vooral kreeftachtigen, oudere dieren prefereren wormen, weekdieren,
zakpijpen en kleine vissen.
Leefgebied :
Op of vlak bij de bodem boven een harde,
onregelmatige ondergrond; diepte tussen 10 en 60 m,
soms dieper maximum diepte waarop wel eens kabeljauwen zijn aangetroffen is 600 m.
Hun hele verdere leven zullen het zwervers blijven.
Zo is bekend, dat kabeljauwen in de Noordzee van scheepswrak naar scheepswrak trekken.
Voor de kabeljauw, zoals voor meer commerciele vissoorten,
zijn kaarten gemaakt waarop je precies kunt zien in welk seizoen ze waar zitten.
De gewoontes vandiverse te onderscheiden rassen verschillen overigens nog behoorlijk van elkaar.
Dat is een heel ingewikkeld verhaal, van belang voor de visserij,
maar het valt buiten het bestek van deze cd-rom.
De jonge kabeljauwen hebben de neiging dichter bij de kust te komen dan de ouderen.
Deze jonge dieren worden gullen genoemd.
Als een visser in de Westerschelde of de Oosterschelde of elders dicht bij de kust kabeljauw vangt,
is het eigenlijk altijd gul.
Verspreiding :
Beide zijden van de noordelijke Atlantische Oceaan.
Aan de westzijde van Groenland tot Kaap Hatteras,
aan de oostzijde van Nova Zembla en Spitsbergen tot halverwege de Golf van Biskaje.
|
|
Makreel - ( Scomber Scombrus )

|
Beschrijving :
Makrelen komen in de zomer heel algemeen voor langs onze kust.
Ze trekken ook naar andere gebieden en kunnen ze enorme afstanden afleggen.
Het is een echte trekvis die in scholen dicht onder het wateroppervlak zwemt.
Zo'n school kan wel 200 meter lang zijn.
De makreel is duidelijk gebouwd om snel te zwemmen en snelle prooien te kunnen vangen.
Hij heeft een krachtige staart, gestroomlijnd lichaam en is bijzonder wendbaar,
door de ver naar voren staande borstvinnen kan hij snelle korte draaien maken,
om kleinere vissen te kunnen grijpen. Omdat ze vlak onder de oppervlakte jagen is het vaak al van een afstand te zien dat er makrelen actief zijn: veel beweging in het water,
opgejaagde vissen die in paniek uit het water omhoog springen,
en meeuwen en andere zeevogels die daar enthousiast op af komen.
Voortplanting :
In de Noordzee is de makrelen-paaitijd van maart tot juni.
Ze leggen ongeveer een half miljoen eitjes,
elk 1 mm in doorsnede.
Alle eitjes bevatten een oliedruppeltje waardoor ze kunnen blijven zweven in het water.
Zodra het water een goede temperatuur heeft (ongeveer 15 graden Celsius) komen de eitjes uit.
Een jong makreeltje is 2,5 mm lang en heeft nog 9 dagen lang een dooierzak,
aan zich vastgehecht om daar nog voedsel uit te kunnen halen.
Daarna jaagt jonge vis op plankton.
Na 2 jaar (en ongeveer 25 cm lang) is de makreel volwassen.
Ze kunnen heel oud worden, tot wel 25 jaar.
Winterslaap, voorjaarstrek en zomeractie :
Makrelen zijn vooral in de warmere maanden actief. In de koudere maanden houden,
ze rust en trekken ze naar het noorden van de zee,
tussen de Shetland eilanden en de Noorse kust.
Ze overwinteren hier teruggetrokken in geulen en greppels op de zeebodem,
dicht tegen elkaar aan.
Ze eten dan heel weinig; af en toe wat garnalen en andere kleine kreeftachtige diertjes.
In het vroege voorjaar worden ze hongerig en trekken in scholen naar boven,
om zich te voeden met dierlijk plankton en kuit van andere vissen.
Ze zwemmen dan met open mond dwars door de planktonwolken,
en filtreren kleine kreeftjes,slakjes,
garnalen en allerlei larfjes uit het water met behulp van hun kieuwzeven.
In het begin van de zomer,gaan ze naar de kust.
De school valt dan uiteen in kleinere groepen en de makrelen schakelen over op prooivissen.
Ze eten veel om een vetreserve voor de winter op te bouwen.
Ze jagen vooral op vissen als haring, sprot, ansjovis en zandspiering.
Tegen het einde van oktober verlaten ze de kustwateren weer om zich terug te trekken naar het diepere,
relatief warme water op de zeebodem om te overwinteren.
|
|
Haring - ( Clupea Harengus )

|
Beschrijving :
Haring behoort tot de familie van haringachtigen.
Soorten als ansjovis en sardines horen hier ook bij.
Een smakelijke familie kun je wel zeggen.
Een haring kan zo'n 40 cm lang en wel 20 jaar oud worden.
Overdag zwemmen ze in grote scholen net boven de zeebodem of in diep water.
'S avonds vertrekken ze richting het wateroppervlakte.
De vissen blijven hier niet langer bij elkaar, maar verspreiden zich.
Voedsel :
Haringen leven van planktondiertjes en vislarven die ze uit het water zeven.
Op de kieuwbogen zitten speciale aanhangsels die de hoeveelheid diertjes,
die ze via hun kieuwen uit het water kunnen filteren verhogen.
Grote haringen eten ook wel kreeftjes en visjes.
Voortplanting :
In de Noordzee leven drie populaties van haringen die op verschillende momenten paaien.
Buiten het paaiseizoen leven ze door elkaar,
maar tijdens deze periode verzamelt elke populatie zich op zijn eigen paaigronden.
De Buchan-Shetland haringen paaien in augustus en september voor de Schotse en Shetlandse kusten.
De Doggersbank haringen doen dit in het centrale deel van de Noordzee van augustus tot oktober.
De Southern Bight of Downs haringen paaien tenslotte in het Engelse kanaal van november tot januari.
Op de paaigronden schieten de vrouwtjes van de hele school tegelijk kuit en worden de eitjes bevrucht door de mannetjes.
De met slijm bedekte eitjes zinken vervolgens naar de bodem en hechten zich vast.
Afhankelijk van de temperatuur,
komen de larven, 0,5 cm groot, na 8 tot 40 dagen uit de eitjes.
De larven laten zich met de zeestromingen meevoeren naar hun 'kinderkamer'.
Gebieden in de Noordzee,
voornamelijk aan de oostkusten van de Noordzee en in het Skagerrak-Kattegat-gebied,
waar het niet te koud is en waar voldoende te eten is.
Jonge haringen (ook wel bliek genoemd) blijven de eerste 2 jaar in ondiep water.
Daarna zwemmen ze naar diepere gedeelten van de zee.
Vanaf hun 3e - 5e jaar zijn haringen volwassen en paaien ze elk jaar.
De meeste haringen worden niet ouder dan een jaar of 8,
dus veel tijd om voor nageslacht te zorgen hebben ze niet.
Visserij :
Haring is een belangrijke soort voor de visserij.
Voor de Nederlandse vloot begint het haringseizoen eind mei,
en loopt door tot in maart.
Deze vloot vist vooral op de haring in de westelijke Noordzee en rond de Schotse eilanden.
Het merendeel van de gevangen haring wordt verder bewerkt tot zure of ingeblikte producten.
Slechts één vijfde tot één derde van de totale haringvangst kan worden verwerkt tot gezouten 'maatjes'-haring. Maatjesharing is een haring die nog geen hom of kuit heeft gevormd.
|
|
Geep - ( Belone Belone )

|
Beschrijving :
De geep wordt maximaal 95 cm lang en 1 kg zwaar, maar lengtes tussen 70 en 80 cm komen meer voor.
De langgerekte vorm is zeer karakteristiek, met zeer spitse snuit, en een verlengde onderkaak.
De rug- en anaalvin zijn ver naar achteren geplaatst.
Geen bijvinnen achter deze vinnen zoals bij de makreelgeep.
Kleur :
De rug is donker groenblauw, terwijl de buikzijde zilverkleurig is.
Daar tussen in bevindt zich meestal een donkere band.
Voedsel :
Kreeftachtigen, stekelbaarzen, sprot, haring, inktvis, enz.
Het zijn oogjagers en zijn dus vooral overdag actief.
Leefgebied :
De jonge gepen zitten vooral dicht bij de kust in ondiep water,
evenals de oudere dieren rond de paring.
Na de paring gaan de oudere dieren rondtrekken op zoek naar voedsel,
waarbij ze aanzienlijke afstanden kunnen afleggen.
Tenslotte gaan ze in de herfst naar dieper water in de open Atlantische Oceaan.
Verspreiding :
Van de Oostzee en Noorwegen tot ver in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee.
Verder in de oceanen van het zuidelijk halfrond.
Voortplanting :
In het voorjaar en de vroege zomer vindt de paring plaats in ondiep water.
De vrouwtjes schieten drie keer per seizoen kuit en produceren daarbij tussen de 15.000 en 35.000 eieren.
De eieren zweven in het water en er zitten kleverige vezeltjes op,
die mogelijk het zweefvermogen vergroten.
Maar ook dienen ze waarschijnlijk om de eieren vast te hechten aan drijvende materialen,
zoals plukjes wier.
Na 2 tot 5 weken (sneller als het warmer is) komen de jongen uit.
De jongen hebben nog geen verlengde kaken, de onderkaak wordt het eerst lang.
Gepen kunnen 18 jaar oud worden.
|
|
| |
|
Weet u nog zeeaassoorten die hier nog niet vermeld staan, stuur ze dan naar zeevissers @ gmail.com
|
|
|
|