Strandpieren, leeglopers, zwarte wadpieren, geelstaarten en Franse tappen
kunnen we mits wat oefenen zelf delven/spitten of met de vacuüm pomp trekken.
Eerst een woordje uitleg over deze “borstelwormen”. De zeepier leeft in een gang op een zanderige bodem.
Je kan zijn “verblijfplaats “ herkennen aan een putje en een zanderige sliert.
De sliertjes zijn de uitwerpsels van de pier.
Het putje en het ‘strontje’ bevinden zich op ongeveer 15 cm van elkaar.
Hieruit kan je afleiden dat de pier in een U-vormige gang leeft.
De zwarte wadpier of Franse tap herken je aan een ‘strontje met een putje in het midden’.
Deze leven dan ook in een J-vormige gang. De strontjes zijn altijd spiraalvormig.
Aan de grote van het hoopje kan je ook de grote van de pier afleiden.
Een Franse tap kan tot 30 cm lang worden! Geelstaarten en leeglopers een dikke 15 cm.
Om een goed “geurspoor” in het water te trekken zouden de wormen niet ouder mogen zijn dan 24 uur.
Franse tappen die enkele dagen oud zijn en een doordringende geur afgeven
zijn dan weer uitstekend aas voor pladijs en wijting. Tijdens het vissen, ververs je pieren na 20 minuten.
Na 20 minuten geeft de pier namelijk geen geurspoor meer en zal de vangkracht aanzienlijk verminderen.
In Nederland moet je een vergunning of Zeevispas bezitten als je pieren wil delven;
In België heb je geen vergunning nodig!
Met een vacuüm pomp vergt het aardig wat kennis!
Hier geraakt men het niet eens hoe je nu de pomp moet plaatsen!
Schuin voor het putje of recht op het putje. Hoe dan ook, het vraagt oefening en kennis.
Ik heb de kracht en de kennis niet om met de vacuümpomp Franse tappen te trekken
en dat laat ik dan ook wijselijk over aan de specialisten!
Ik steek/delf de strandpieren op een eeuwen oude manier! Met de strand riek!
Ook hier is het makkelijk als je wat kennis in huis hebt hoe en waar je de putjes moet graven.
Hoe dan ook, het best steek je pieren vlak na het keren van het tij. Van laag naar hoog water uiteraard.
Waarom? Met opkomend water zitten de pieren niet op het diepst!
Franse tappen kunnen tot 50 cm diep zitten! Strandwormen makkelijk 30 cm.
Met opkomend water kruipen de pieren naar de oppervlakte en
kan je ze makkelijk op kleine diepte vinden.
Voor je begint te graven, bestudeer eerst het strand. Zoek een plek waar er veel ‘putjes en strontjes’ zijn.
Kies ook de plek waar de strontjes het grootst zijn. Hier zal je ook de grotere exemplaren kunnen delven.
Ik doe het op mijn eigen manier, en noem het “economisch graven”.
Als ik een geschikte plek heb gevonden, maak ik een klein diep gat van ongeveer 1 en een halve riek diep.
Dan begin ik in het rond te graven. Uit een put van 1 meter in diameter haal ik dikwijls tot 10 pieren.
Als het water al wat verder is opgekomen, dan zoek ik een putje
met een vers (lees nat) strontje vlak er naast. Na 2, maximum 3 keer steken heb je de pier.
Zoek een volgende combinatie en graaf de pier naar de oppervlakte.
Na een dik half uur, een klein uurtje, heb je voldoende pieren om te gaan vissen.
Op het strand of als ik thuis kom, dan ontdoe ik de pieren van het zand en leg ze op een droge krant.
Door de krant heen en weer te schudden worden de pieren mooi droog.
Ik bewaar ze dan in een houten kistje waar ik eerst een flinke krant op de bodem leg.
De pieren bewaren het best op een koele maar droge plaats.
De pieren die over blijven na het vissen,
zout ik en bewaar ze in de vriezer om in de wintermaanden te gaan vissen.